Als het werkt: MIG-, MAG- en TIG-lassen
In dit artikel:
De laswereld is verschoven van de traditionele grijze laselektroden naar drie moderne technieken: MIG, MAG en TIG. Bij al deze methoden smelten twee werkstukken en meestal een toevoegmateriaal door een elektrische boog die met een laspistool en een krachtige stroombron wordt opgewekt. Die extreme hitte veroorzaakt echter direct contact tussen gesmolten metaal en zuurstof uit de lucht, wat oxidatie en een zwakkere las tot gevolg heeft.
Ooit loste men dat op met elektroden omhuld door rutiel: bij het smelten geven deze hulzen gas af dat de las afschermt, maar vormen ze ook een vaste slak die na het lassen mechanisch verwijderd moet worden. Om dat rommelige bijeffect te vermijden is men overgestapt op gasafscherming.
MIG (Metal Inert Gas) en TIG (Tungsten Inert Gas) gebruiken inerte edelgassen zoals argon of helium om de laszone vrij van zuurstof te houden. Bij MIG wordt continu een draadvulling via het pistool aangevoerd; die smelt in de boog en vormt de las. De beschermende gaswolk moet uit een fles via een slang of via holle lasdraad komen, en is gevoelig voor verstoring door wind. TIG werkt met een niet-smeltende wolfraamelektrode (tungsten) die de boog creëert; het vulmateriaal wordt apart in de las gebracht, waardoor de lasser beide handen nodig heeft. TIG levert doorgaans zeer schone, goed controleerbare lassen.
MAG (Metal Active Gas) verschilt technisch weinig van MIG, maar gebruikt actieve gassen—meestal CO2—in plaats van edelgassen. CO2 is goedkoop en ruim beschikbaar; het beschermt minder inert dan argon/helium maar is in veel toepassingen voldoende en economisch aantrekkelijk.
Kort samengevat: routinematig lassen met beklede elektroden beschermt wel maar geeft slak; MIG/MAG bieden continu lassen met draadvoeding (MAG is goedkoper door CO2); TIG geeft de meest precieze, schone las maar vereist aparte toevoer van lasmateriaal en meer vaardigheid. De keuze hangt af van materiaal, eisen aan laskwaliteit, omgeving (wind) en kosten.