Als het werkt: roestvrij
In dit artikel:
Middeleeuws ijzer was niet per se beter of gemaakt met meer kennis; het vertoonde soms betere roestwering door toevallige samenstelling van het lokaal aanwezige erts. In de Lage Landen – bijvoorbeeld rond de Achterhoek – kwam zulk ijzeroer veel voor: losse kluiten met hoge ijzerinhoud. Er bestonden nog geen hoogovens, maar eenvoudige smeltoventjes (bloomeries) van klei of steen waarin erts met hout of houtskool tot ~1200 °C werd verhit. Bij die temperatuur smolt het ijzer niet door, maar bleef een poreuze “ijzerspons” over; zand en grove verontreinigingen liepen weg, andere elementen bleven achter.
Smeden moesten die spons heet stoken en herhaaldelijk hameren om lucht en poriën eruit te drukken en de onzuiverheden gelijkmatig door het metaal te verdelen. Die toevallige mix van elementen bepaalde de eigenschappen: wat vanadium bevatte werd taaier, fosfor in de ijzerlaag kon de corrosiebestendigheid verhogen. Daardoor kon ijzer uit het ene gebied taai zijn, uit een ander roestvriendelijker – en werd soms materiaal geïmporteerd op basis van bodem-samenstelling, niet van technische vaardigheid.
Sinds de industriële revolutie draaien hoogovens boven de smelttemperatuur van ijzer (>1500 °C), waarbij slak verontreinigingen verwijdert. Productie focust nu op zuiverheid en het gericht toevoegen van legeringselementen voor sterkte; corrosieweerstand wordt meestal bereikt met coatings (verven, fosfateren) of door roestvast staal. Kortom: middeleeuws roestbestendig ijzer was vaak een gelukstreffer van ertssamenstelling en ambachtelijke verwerking, geen bewijs van superieure kennis.