Als het werkt: semafoor
In dit artikel:
Al voordat telefoon en radio bestonden, ontstond behoefte aan snelle, liefst draadloze communicatie voor leger, bestuur en scheepvaart. Keizer Napoleon liet daarom een optisch draadsysteem bouwen: hoge palen met beweegbare armen waarvan combinaties van standen via kijker tientallen kilometers konden worden afgelezen en zo berichten razendsnel, via tussenstations, van bijvoorbeeld Amsterdam naar Parijs lieten reizen — het semafoor.
Voor de kustvaart bleek die uitvoerige constructie te kwetsbaar en overbodig; schepen hadden vooral praktische informatie nodig zoals waterstanden, stromingen, toegang tot sluizen en stormwaarschuwingen. De Napoleontische techniek werd daarom vereenvoudigd tot wat later Bataafse semaforen gingen heten: installaties met bollen, kegels en vlaggen en ’s nachts stormlantaarns in verschillende kleuren. Deze toestellen verschenen na het vertrek van de Fransen bij belangrijke havens en vaarwegen, met een bekend voorbeeld nabij IJmuiden ter ondersteuning van de zeesluis van het pas geopende Noordzeekanaal.
Het seinstelsel kon zowel dynamiek (rijzend of vallend water) als absolute diepte communiceren: kegels/puntstand en kleurige lantaarns aangaven stijgende of dalende waterstand; klapbare borden — rond voor 5 m, vierkant voor 1 m, driehoek voor 20 cm — in combinaties gaven de diepte tot op 20 cm nauwkeurig weer. Vlaggen fungeerden als stoplicht: een rode vlag verbood binnenkomst vanaf zee, een groene vlag verhinderde uitvaren.
Met de opkomst van radio en marifonie verloor deze optische communicatie geleidelijk zijn rol, al bleven sommige installaties tot ver in de jaren 1985–1990 operationeel.