Geeft de binnenvaart zeeschepen voldoende ruimte? Dit zegt de loods
In dit artikel:
Afgelopen najaar liep EOC‑preventiemanager Marnix de Bakker één dag mee met registerloods Reinier Verschoor van het Nederlands Loodswezen (regio Rotterdam‑Rijnmond). Verschoor loodst zeeschepen van Europoort tot Moerdijk en bedient havens als Rotterdam, Dordrecht, Moerdijk, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Hoek van Holland en Scheveningen. In die regio worden jaarlijks ongeveer 53.000 zeeschepen beloodst door zo’n 220 loodsen.
Verschoor noemt de variatie in scheepstype, afmetingen en bemanningen de grootste uitdaging: elk schip reageert anders en de eilandjes van ervaring bij bemanningen en kapiteins lopen ver uiteen. Daarbij komen het samenwerken met sleepboten en roeiers en het continu werken met wind, stroming en diepgang. Hij wil bij elk passage de kapitein het vertrouwen geven dat het schip veilig is, omdat vooral aan- en aflopen voor velen stressvol blijft.
Een belangrijk thema is het wederzijdse begripsprobleem tussen zeevaart en binnenvaart. Binnenvaartschippers onderschatten volgens Verschoor vaak de beperkte manoeuvreereigenschappen van veel zeeschepen (meestal één schroef en één roer), zeker vergeleken met binnenvaartschepen met meerdere schroeven of 360° kopschroeven. Een zeeschip heeft meer ruimte en tijd nodig om snelheid te maken of te minderen; ongeduld of misverstanden over passeerruimte leiden regelmatig tot vragen of onveilige situaties. Verschoor signaleert ook dat sommige buitenlandse schippers (bijvoorbeeld van de Donau) minder goed communiceren en onvoorspelbaar varen.
Praktische beperkingen: belading bepaalt de dode hoek—een volle containerlaag geeft een dode hoek van 400–500 meter; bij tankers varieert zichtlijn sterk met lading. De remweg hangt af van diepgang en scheepsgrootte; abrupt stoppen kan stuurvermogen doen wegvallen en leidt tot onbestuurbaarheid. Boegschroeven zijn bij hogere snelheid vaak ineffectief en achteruit slaan kan sterke onverwachte draaibewegingen geven. Daarom is soms een sleepboot achter het schip nodig om de stopweg onder controle te houden.
Wind, stroming en getijde beïnvloeden alle keuzes: loodsen werken met een zorgvuldig vaarplan inclusief alternatieven, kiezen aankomsttijden op getij en bepalen hoeveel sleepassistentie nodig is. Risicovolle situaties zijn onder meer oplopen (zuiging van kleinere schepen richting een groter schip), kruisen in smalle gedeeltes en oeverzuiging bij tegenliggers. Ook het gebruik van automatische trackpilots door binnenvaartschepen is niet altijd geschikt op getijdenrivieren, waar andere tracks voor voor‑ en tegenstroom nodig zijn.
Wat Verschoor graag zou willen dat binnenvaartschippers ervaren: de zichtlijn en massa van een zeeschip, de lange rem- en manoeuvreerafstanden, en het verschil in bruglay‑out ten opzichte van eenmansbediening op binnenvaartschepen. Meer begrip leidt tot minder misverstanden en meer veiligheid.
Praktische adviezen van de loods:
- Geef zeevaart ruimte als dat nodig is.
- Vaar een voorspelbare koers en kruis achterlangs.
- Houd rekening met getij en dwarsstroom.
- Communiceer kort en duidelijk via VHF.
Voor pleziervaart: blijf aan stuurboordwal, vaar buiten de tonnen, kijk regelmatig achterom en luister de VHF uit.