Het kleine schip redden: tussen emotie en realiteit
In dit artikel:
De auteur begint met een persoonlijke observatie: wie van binnenvaart houdt, is emotioneel verbonden met schepen en ziet die binding door een onrealistische bril. Buitenstaanders zonder emotie zouden het geen probleem vinden als de vloot geherstructureerd werd — bijvoorbeeld door vervanging door duwbakken beheerd door enkele grote partijen — maar voor schippers speelt meer dan alleen gevoel mee.
Structuurproblemen houden vernieuwing tegen. Veel oudere Nederlandse binnenvaartschepen worden decennialang in de vaart gehouden en zijn vaak hypotheekvrij, waardoor nieuwe, kleinere schepen financieel niet kunnen concurreren. Daardoor is er vrijwel geen nieuwbouw van kleine schepen. Van de circa 1.500 schepen onder 1.500 ton gaat elk jaar 50–70 naar de sloop; rond 2050 zouden die kleine schepen dan verdwenen kunnen zijn. Dat bedreigt ongeveer 40 miljoen ton lading die nu nog over water binnenlands vervoerd wordt en dreigt te verschuiven naar de weg — ongunstig voor bereikbaarheid, milieu en havengerelateerde bedrijvigheid.
De schrijver nuanceert eerdere veronderstellingen: een teruglopend aanbod leidt niet vanzelf tot hogere vrachttarieven en nieuwbouw, omdat de verdiensten op kleine schepen wel rendabel kunnen zijn, maar niet voldoende voor het financieren van nieuwbouw. Ook verdwijnen sommige verladers of verplaatsen ze zich naar groot vaarwater, wat het marktbederf versnelt. Tegelijk neemt op bepaalde binnenwateren het scheepvaartbeeld af, waardoor onderhoudsprioriteit door de overheid in gevaar komt.
In plaats van bij de pakken neer te zitten stelt de auteur concrete maatregelen voor. Oudere schepen van vóór 1970 zouden een oldtimer-regeling moeten krijgen met fiscale en ligplaatsvoordelen, zodat cultureel en historisch varend erfgoed blijft bestaan. Voor de nog actieve kleine schepen pleit hij voor een vlootplan: inventarisatie waar schepen liggen, hoeveel er nodig zijn in 2040/2050 en welke bedrijven aan klein vaarwater blijven. Op basis daarvan kunnen vervoerders, verladers en overheid een convenant sluiten om een minimumvloot te garanderen en prioriteiten voor vaarwegonderhoud vastleggen. Dit maakt ook hotspots zichtbaar voor duurzame nieuwbouw en stimuleert gemeenten om hun terreinontwikkeling meer op het water te richten.
Essentieel is dat kleinere schippers zich beter organiseren — bijvoorbeeld in coöperaties — om collectieve afspraken te maken. Zonder emotie maar met feiten en samenwerking acht de auteur het haalbaar om zowel het oude te waarderen als ruimte te maken voor toekomstbestendige oplossingen.