Meer regie en voorspelbare geldstroom nodig voor Werf van de Toekomst
In dit artikel:
Dimitri van Rijn, programmamanager van het Rijksregiebureau Maritieme Maakindustrie en regisseur namens vijf ministeries, roept op tot meer regie en intensievere samenwerking om de Nederlandse maritieme maakindustrie concurrerend en toekomstbestendig te houden. Tijdens een bijeenkomst van Maritime NL & Offshore op 26 maart bij Van Meer op Tholen ontving hij de uitkomsten van de verkennende studie naar de Werf van de Toekomst, één van vijf koploperprojecten uit de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie (2022–2026). Het doel van die agenda is onder meer de kostprijs van Nederlandse schepen met 10–15% te verlagen.
De Werf van de Toekomst is geen fysieke locatie maar een bundeling van innovatieve samenwerkingsprojecten verspreid over tien maritieme regio’s. Innovatie richt zich vooral op het versnellen van processen, digitalisering en robotisering. Het rapport signaleert echter dat bedrijven terughoudend blijven om concurrentiedenken los te laten, waardoor noodzakelijke keten- en regioverschijnende samenwerking stagneert. Van Rijn benadrukt dat de echte concurrentie buiten Nederland zit en dat kruisbestuiving en het vermijden van dubbel werk cruciaal zijn.
Regionale ontwikkelingsmaatschappijen worden gezien als logische schakels voor regie, terwijl het Rijksregiebureau de taak heeft regio’s te verbinden en namens de sector richting Den Haag en de EU te spreken. Belangrijke beleidswensen zijn verlenging van de Sectoragenda met bijbehorende budgetten en dat overheidsorders van Rijksrederij en Marine bij voorkeur in Nederland worden geplaatst om voorspelbare vraag en financiering te waarborgen. Daarbij wordt verwezen naar het Rapport Bennink als argument voor concrete uitvoering en middelen. Ook op Europees niveau biedt de onlangs gepresenteerde maritieme strategie kansen; gezamenlijk kan de sector toegang krijgen tot EU-programma’s en budgetten.