Precies 100 jaar geleden braken de dijken door in Nederland door hoogwater, nu vreest men juist laagwater
In dit artikel:
Op de honderdste verjaardag van de Maasdijkdoorbraak van 1 januari 1926 kwam duidelijk naar voren dat Nederlandse rivieren opnieuw ingrijpend moeten worden herzien. Adviseur Geert Snoeij (KBN) vertelde tijdens de jaarvergadering van Schippers Vereniging Schuttevaer (afdeling Utrecht) dat de rivieren niet alleen last hebben van hoogwater, maar steeds vaker ook van lange droge periodes en versnelde bodemerosie. Door het wegspoelen van zand liggen delen van de rivierbodem lokaal tot twee meter lager dan vroeger; de Rijn boven het Ruhrgebied heeft dat probleem minder omdat de bodem daar uit grind en stenen bestaat.
De gevolgen zijn breed: bestaande kunstwerken en sluizen zijn gebouwd op een hoger peil en raken minder effectief doordat de rivierbodem daalt; de toegang tot vaarwegen wordt ondieper; het grondwaterpeil zakt met nadelige effecten voor landbouw en drinkwatervoorziening; en zandvervoer naar havens verhoogt de baggerkosten. Historische ingrepen — rechte, gelijkmatig brede waterlopen die snel water afvoeren en bevaarbaarheid verhogen — hebben deze problemen mede in de hand gewerkt.
Het Rijksprogramma Ruimte voor de Rivier 2.0 onderzoekt drie hoofdopties. Eén is het regelmatig bijstorten van zand, wat onderhoudsintensief is. Een tweede en veelbelovende maatregel is het graven van nevengeulen of een meergeulensysteem met langsdammen; een proef bij Tiel toont dat dit erosie aanzienlijk vermindert. Ten slotte worden aanpassingen in de afvoerverdeling op de IJssel en het Pannerdensch Kanaal bekeken, al zullen die maatregelen de bodemdaling vermoedelijk niet zelfstandig stoppen. Snoeij erkent dat zwaardere scheepvaart de bodemomwoeling vergroot, maar benadrukt dat de vorm en inrichting van de rivier de hoofdschuldige zijn en dat erosie ook zonder scheepvaart doorzet.
Als gevolg van klimaatverandering — zwaardere buien én langere droge perioden — is herinrichting urgent. KBN werkt ook op Europees niveau mee aan vergelijkbaar onderzoek. Een definitief besluit over de gekozen aanpak wordt in 2026 verwacht; bij gunstige omstandigheden zou de eerste schop rond 2030 de grond in kunnen gaan. Snoeij pleit voor oplossingen die zowel scheepvaart als natuur dienen, in plaats van een drastische keuze tussen beide.