'Regels zijn goed, maar je moet het niet overdrijven'

woensdag, 4 februari 2026 (12:02) - Weekblad Schuttevaer

In dit artikel:

Klaas Langius (1952) komt uit een lange lijn van binnenscheepvaartfamilies en draagt die traditie actief voort. Zijn vader Bauke, naar wie hij al zijn schepen vernoemde, moest na de oorlog noodgedwongen op de Amsterdamse pont werken omdat zijn eigen schip door de Duitsers was gevorderd en gezonken. Klaas wist al op jonge leeftijd dat hij schipper wilde worden; inmiddels is hij samen met zijn zoon Bert eigenaar van de minerale oliëntanker Bauke. Zijn kleinzoon Byorn volgt een opleiding voor de binnenvaart in Harlingen, wat de familielijn in het vak verder verzekert.

Klaas begon praktisch—na korte technische opleidingen op aandringen van zijn moeder—als matroos op het sleepschip van een oom en stapte later over naar tankers. Hij herinnert zich de jaren ’70 als gevaarlijker qua veiligheidsmaatregelen: destijds waren stuurhutten met open ramen en drong benzinedamp makkelijk binnen. Tegelijk ervaart hij de huidige administratieve eisen kritisch: het invullen van veel documenten kost veel tijd en levert volgens hem weinig op; hij noemt die rompslomp soms “papierrotzooi”.

Zijn loopbaan kende pieken en dalen. In 1977 kocht hij met zijn vrouw een vrachtschip (Chateau Margaux) en raakte failliet. Later kocht hij de Engelina, maar die zonk in 1988 met 60 staalrollen na roeruitval bij de Sumatrakade in Amsterdam. Na een tussenstop als café-eigenaar op Texel keerde hij terug naar de vaart en vond banen bij verschillende reders. In 2004 nam hij zijn eerste eigen tanker in de vaart (Horida) en in 2010 liet hij de huidige Bauke bouwen bij GS Yard—een schip van 110 x 11,45 m, circa 2.628 ton en een 1.800 pk-motor, met thuishaven Dessau.

Kort na de ingebruikname van die Bauke raakte Klaas betrokken bij het grote faillissement van de combinatie Oeltrans, Tankfracht en Max Sötje; hij en tientallen collega-ondernemers liepen gezamenlijk ongeveer vier ton aan onbetaalde vracht op. Sindsdien vaart hij zo'n vijftien jaar voor het Duitse bevrachtingskantoor BFT, waarmee hij tevreden is.

Vooruitkijkend is hij nuchter: hij nadert de pensioengerechtigde leeftijd en denkt eraan het bedrijf aan de volgende generatie over te dragen—hij en zijn zoon zijn al fifty-fifty eigenaar. De geschiedenis van verlies, doorstarten en familietraditie illustreert de veerkracht die in de binnenvaart nodig is, terwijl regelgeving en zakelijke risico’s het vak de afgelopen decennia ingrijpend hebben veranderd.