Search and Rescue Noordzee moet anders door afgelegen windparken
In dit artikel:
Nederland en Duitsland werken aan een herontwerp van de Search and Rescue (SAR)-organisatie voor offshore windparken op Noord- en Oostzee, omdat nieuwe parken steeds verder uit de kust komen te liggen terwijl de vereiste responstijden gelijk blijven. In Duitsland lopen concrete plannen verder dan in Nederland: denk aan medische posten op verlaten olie- of gasplatforms, een continu op zee liggend hospitaalschip en zelfs een kunstmatig hulpverlenings-eiland. Duitse overheden (Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein) en de sector onderzoeken deze opties; de geraamde kosten voor uiteenlopende maatregelen bedragen circa 360 miljoen euro.
Begin november is met helikopterbedrijf Northern Helicopter een pilot gestart waarbij een helikopter wordt gestationeerd in windpark Bard Offshore, ongeveer 90 km uit de kust van Borkum. De helikopter wordt ingezet wanneer weersverwachtingen voorspellen dat opstijgen en landen gedurende dagen onmogelijk kan zijn. Die proef loopt tot april volgend jaar. Duitsland denkt ook na over het binnen 30 minuten kunnen verlenen van eerste hulp en het een uur volhouden van transport en preklinische behandeling op een nabij gelegen medische post of hospitaalschip; het hospitaalschip heeft als voordeel dat het naar de incidentlocatie kan varen.
In Nederland coördineert Rijkswaterstaat (RWS) de herziening, met adviesbureau Antea als externe partij en in overleg met Kustwacht en KNRM. RWS publiceerde in december 2023 de “Resultaten Verkenning SAR ver op zee” met 19 aanbevelingen om de reddingscapaciteit te versterken. Een concreet voorstel is het onderzoeken van SAR-corridors: obstakelvrije, evenwijdige banen van minimaal 500 meter breed door windparken, bedoeld om zoekoperaties, olieruiming en noodslepen te vereenvoudigen en aanvaringen met installaties te verminderen. RWS geeft aan de uitkomsten en het beleidsvoorstel binnen enkele maanden aan de Tweede Kamer te delen.
De discussie over financiering speelt in Duitsland ook: de vakbond IG Metall pleit voor een collectief betalingssysteem voor alle exploitanten, terwijl de brancheorganisatie Bundesverband Windkraft Offshore (BWO) vindt dat offshoreparken ver van de kust zelf voor de extra kosten moeten opdraaien. De BWO vertegenwoordigt 55 bedrijven met ruim 25.000 medewerkers en benadrukt dat bestaande responsmiddelen (reddingsschepen, kustwacht, helikopters, offshore-servicesschepen) in 2024 al 77 keer werden ingezet; volgens de BWO waren er in de afgelopen tien jaar geen dodelijke ongevallen.
Vooruitkijkend plant Duitsland de uitbreiding van offshore-wind naar 70 GW capaciteit in 2045 (tegen nu circa 9 GW met 1.640 turbines); Nederland had eind 2024 ongeveer 670 turbines met 4,7 GW. De grotere afstanden tot de kust — in sommige gebieden tot meerdere honderden kilometers binnen de EEZ — maken aanpassingen in SAR-logistiek en financiering noodzakelijk.