Zware Kees: gelijke monniken...

donderdag, 1 oktober 2026 (20:02) - Weekblad Schuttevaer

In dit artikel:

In de jaren zeventig voeren op Nederlandse coasters nog vooral Nederlandse officieren en matrozen uit onder meer Kaapverdië, Spanje en Portugal. Zij vielen onder Nederlandse cao’s, terwijl de lonen door de groeiende welvaart opliepen. Daardoor werden Nederlandse schepen volgens de auteur steeds duurder en gingen reders zoeken naar manieren om op personeel te besparen.

Bemanningen werden verkleind en functies zoals de derde stuurman, derde werktuigkundige en kok stonden ter discussie. Nadat de regels waren versoepeld, maakten Filipijnse en soms Indonesische matrozen plaats voor de eerdere buitenlandse bemanningsleden, tegen aanzienlijk lagere lonen. Later kwamen ook in de officiersrangen steeds meer Russen, Esten, Filipijnen en Oekraïners te werken. Hun beloning werd gebaseerd op het zogenoemde woonlandbeginsel: het loon hangt daarbij samen met het prijsniveau in het land waar de werknemer woont.

Uiteindelijk gold dat ook voor kapiteins op schepen onder Nederlandse vlag. Die ontwikkeling riep vragen op over de verhouding tussen nationaliteit, beloning en arbeidsvoorwaarden. In Nederland geldt immers breed het principe dat werknemers voor gelijk werk gelijk moeten worden betaald, ongeacht bijvoorbeeld geslacht of huidskleur. De auteur vraagt zich daarom af waarom een Filipijnse stuurman hetzelfde werk zou mogen doen als een Nederlandse collega voor minder loon, een langere uitzendperiode en minder sociale zekerheid.

Die discussie speelde volgens hem al bij de komst van de eerste Filipijnse officieren. De concurrentiepositie van Nederlandse zeevarenden stond toen centraal. Zonder een definitief oordeel te vellen, suggereert de auteur dat de keuze voor goedkope bemanningen uiteindelijk tot hogere kosten of andere problemen kan leiden.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Jurriën Timber over bijzonder moment met broer Quinten: 'Héél speciaal!'